
De Belastingdienst blijft tot ten minste 2027–2028 werken met systemen als KTA en Informatiesjabloon, ondanks stevige kritiek van de Autoriteit Persoonsgegevens. In deze NTFR-noot wordt kritisch gereflecteerd op de ruime uitfaseringstermijnen, de rol van mitigerende maatregelen en de spanning tussen privacybescherming en effectief fiscaal toezicht. Ook de tijdelijke buitenwerkingstelling van de Monitor Fiscaal Dienstverleners komt aan bod. De bijdrage laat zien waarom adequate toezichtsinstrumenten onmisbaar blijven voor handhaving en rechtsstatelijk functioneren van de Belastingdienst.
De Hoge Raad heeft op 5 december 2025 opnieuw een arrest gewezen over proceskostenvergoedingen in WOZ- en bpm-zaken. Hoewel in dit arrest geen inhoudelijk oordeel werd gegeven over de hoogte van de proceskosten, laat de uitspraak — in samenhang met eerdere arresten — zien wat de toepassing van de WHpkv is. In dit blog wordt kort ingegaan op de werking van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv).
De Hoge Raad oordeelt dat het invullen van een verplicht e-mailadres in een digitaal bezwaarformulier géén toestemming vormt voor digitale bekendmaking op grond van art. 2:14 Awb. Gemeenten en andere bestuursorganen mogen uitspraken op bezwaar dus niet zonder meer per e-mail verzenden. Omdat er geen geldige bekendmaking had plaatsgevonden, was de beroepstermijn niet gaan lopen en had de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is extra relevant omdat digitale bekendmaking in rijksbelastingen nog volledig verboden is. De uitspraak bevestigt dat de keuze voor digitale communicatie altijd bij de burger ligt.
Het Hof ’s-Hertogenbosch bevestigt dat een ouderenvereniging geen ANBI is, omdat haar activiteiten vooral het particuliere belang van de leden dienen. Ondanks statutaire verwijzingen naar algemene belangenbehartiging overheerst de feitelijke focus op ontspanning en onderlinge ontmoeting. De vereniging toont geen externe maatschappelijke werking aan en slaagt evenmin in haar beroep op het gelijkheidsbeginsel. Deze uitspraak maakt nogmaals duidelijk dat de ANBI-kwalificatie in de praktijk vooral draait om feitelijke invulling en bewijslast.