Prins Bernhardplein 200 (Unit 0.02A)

1097 JB Amsterdam

Telefoon 085-0209327

Mr. N. Kolste Legal & Tax

Blog: Proceskosten in WOZ- en bpm-zaken

Op 5 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1834) deed de Hoge Raad opnieuw uitspraak over proceskosten in belastingzaken. Dit arrest sluit aan op de eerdere materiële uitspraak van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1385).

Hoewel de Hoge Raad uiteindelijk géén inhoudelijk oordeel geeft over de hoogte van de proceskostenvergoeding, vormt deze nieuwe uitspraak een mooi moment om stil te staan bij de werking van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv).

1. Wat was de uitkomst van het materiële geschil?

In het arrest van 26 september oordeelde de Hoge Raad dat de forse tariefsverhoging van de OZB eigenaren (niet-woningen) door de gemeente Vlaardingen onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en bovendien gebrekkig gemotiveerd. De belangen van de belastingplichtigen waren niet kenbaar meegewogen, waardoor de rechtmatigheid van de tariefsverhoging niet kon worden vastgesteld.

De Hoge Raad besloot daarom:

  • de betreffende bepaling uit de verordening buiten toepassing te laten;
  • de aanslagen te verlagen tot het tarief van het voorafgaande jaar;
  • én dat het Dagelijks Bestuur van de Regionale Belasting Groep de proceskosten in cassatie moest vergoeden.

Over de hoogte van die vergoeding kon de Hoge Raad echter nog niet oordelen. De belastingplichtige moest eerst gegevens aanleveren om aannemelijk te maken dat sprake was van een ‘bijzonder geval’ onder de WHpkv.

2. Wat is de WHpkv eigenlijk?

Sinds 1 januari 2024 geldt de WHpkv, een wet die beoogt om proceskostenvergoedingen in WOZ- en bpm-zaken stevig te beperken. Het reguliere forfait uit het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aanzienlijk verlaagd:

  • bij vernietiging of wijziging van het besluit: × 0,25
  • in alle andere gevallen: × 0,10

De gedachte hierachter: het verdienmodel van commerciële no-cure-no-pay-bezwarenbureaus moest worden ingedamd. Volgens de wetgever was er sprake van structurele overcompensatie.

3. Het richtinggevende arrest van januari 2025

Op 17 januari 2025 oordeelde de Hoge Raad voor het eerst over de toepassing van de WHpkv. De centrale vraag: wanneer mag die korting op de proceskosten eigenlijk worden toegepast?

De Hoge Raad formuleerde een duidelijke toets: de WHpkv geldt alleen in zaken die passen binnen het profiel van het probleem dat de wetgever voor ogen had. Dat betekent:

  • massale, gestandaardiseerde procedures
  • gevoerd door commerciële NCNP-kantoren
  • waarbij proceskostenvergoedingen structureel hoger zijn dan de werkelijke kosten

Is een zaak géén match met dit profiel? Dan is sprake van een “bijzonder geval” en mag de WHpkv niet worden toegepast.

Belangrijk is dat de bewijslast bij de belastingplichtige ligt: hij moet aantonen dat zijn zaak niet in het WHpkv-hokje past.

4. Wat gebeurde er op 5 december 2025?

In de uitspraak van 5 december beoordeelt de Hoge Raad niet langer de proceskosten zelf. In het arrest van 26 september had hij de belastingplichtige nog uitgenodigd gegevens te overleggen om te kunnen toetsen of sprake was van een bijzonder geval.

Maar zover kwam het niet: partijen sloten onderling een regeling over de proceskostenvergoeding. Omdat de hoogte van de vergoeding daarmee vaststond, hoefde de Hoge Raad geen inhoudelijk oordeel meer te geven.