1. Inleiding
Na een week met alleen arresten die de Hoge Raad op grond van artikel 81 lid 1 RO ongemotiveerd afdeed, was er vandaag weer een interessant formeel arrest. In deze uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:1728) hakt de Hoge Raad een belangrijke knoop door over digitale bekendmaking op grond van artikel 2:14 Awb.
De kernvraag: geeft een burger die een verplicht e-mailadres invult op een digitaal bezwaarformulier daarmee automatisch aan dat hij vervolgcorrespondentie – inclusief de uitspraak op bezwaar – via dat e-mailadres wil ontvangen?
Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk: nee. Daarmee corrigeert hij zowel de rechtbank als de heffingsambtenaar en zet hij een heldere lijn uit voor bestuursorganen die steeds vaker met digitale portals en formulieren werken. De Hoge Raad heeft ook een persbericht over deze zaak gepubliceerd.
Let op: dit betreft een lokale heffingenzaak. Voor rijksbelastingen is digitale bekendmaking van besluiten door de Belastingdienst überhaupt nog niet toegestaan.
2. De feiten
Belanghebbende ontving in juli 2022 twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Op 20 augustus 2022 maakte hij digitaal bezwaar via een online contactformulier, waarin hij verplicht een e-mailadres moest invullen.
De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren op 11 november 2022 ongegrond en verstuurde de uitspraken per e-mail. Toen belanghebbende later opnieuw bezwaar maakte, werd dit niet-ontvankelijk verklaard: er was immers al uitspraak gedaan. Het bezwaarschrift werd doorgezonden naar de rechtbank, die het als een te laat ingesteld beroep beschouwde en zonder zitting niet-ontvankelijk verklaarde.
Belanghebbende kwam in verzet. Hij voerde aan dat hij de eerste uitspraak nooit had ontvangen en nooit toestemming had gegeven om uitspraken per e-mail te ontvangen. Het invullen van een verplicht veld kon volgens hem niet als toestemming gelden.
De rechtbank wees het verzet af: belanghebbende had voldoende kenbaar gemaakt per e-mail bereikbaar te zijn.
3. Conclusie A-G Pauwels
A-G Pauwels wijst in zijn conclusie op het uitgangspunt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 Awb: burgers hebben keuzevrijheid tussen communicatie per post en digitaal. Alleen als de burger min of meer uitdrukkelijk kenbaar maakt digitaal bereikbaar te willen zijn, mag het bestuursorgaan digitaal bekendmaken.
De A-G noemt een aantal relevante punten:
- Een verplicht veld is onvoldoende: de burger heeft geen keuze, dus instemming kan niet worden verondersteld.
- Geen bestendige e-mailpraktijk: er is geen eerdere correspondentie waaruit impliciete toestemming blijkt.
- Toekomstige wetgeving: de aankomende wetswijziging (artikel 2:8 Awb nieuw, per 1 januari 2026) vereist zelfs uitdrukkelijke toestemming voor digitale bekendmaking.
Zijn conclusie: het cassatieberoep van belanghebbende moet gegrond worden verklaard.
4. Het arrest
De Hoge Raad volgt de conclusie van de A-G. Op basis van artikel 2:14 Awb moet het bestuursorgaan nagaan of de burger kenbaar heeft gemaakt “langs elektronische weg voldoende bereikbaar” te zijn. Dat vereist een gedraging of verklaring waaruit toestemming blijkt.
De Hoge Raad benadrukt twee punten:
Ten eerste: geen instemming zonder duidelijke uitleg. Het onlineformulier vermeldde nergens dat correspondentie in de bezwaarprocedure elektronisch zou plaatsvinden. Een bestuursorgaan moet duidelijk communiceren als een opgegeven e-mailadres ook voor formele stukken wordt gebruikt.
Ten tweede: een verplicht veld betekent geen vrije keuze. Omdat het invullen van een e-mailadres verplicht was, kan er geen sprake zijn van vrijwillige toestemming voor digitale communicatie.
5. Conclusie
De Hoge Raad maakt duidelijk dat bestuursorganen niet te snel mogen aannemen dat burgers digitale communicatie wensen. Een e-mailadres in een verplicht veld is daarvoor onvoldoende. Het uitgangspunt blijft: de burger kiest, niet het bestuursorgaan.
Omdat er geen geldige digitale bekendmaking heeft plaatsgevonden, is de beroepstermijn nooit gaan lopen. Het verzet is dus ten onrechte afgewezen. De Hoge Raad verklaart het verzet gegrond en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
6. Toekomstig recht
Met de inwerkingtreding van artikel 2:8 Awb (nieuw) per 1 januari 2026 wordt deze lijn nog sterker: digitale bekendmaking vergt dan uitdrukkelijke toestemming. Bestuursorganen zullen hun digitale formulieren en procedures moeten aanpassen. Burgers krijgen daarmee extra bescherming tegen onbewuste afstand van papieren communicatie.

