
Een rechtbank oordeelt dat een beroep wegens niet tijdig beslissen op een WOZ-bezwaar ontvankelijk en gegrond is, ondanks dat de ingebrekestelling pas geruime tijd na het verstrijken van de beslistermijn werd verzonden. Toch wordt geen dwangsom toegekend over de periode voorafgaand aan de uitspraak, omdat de ingebrekestelling als onredelijk laat wordt aangemerkt. De uitspraak illustreert de steeds strengere benadering van de dwangsomregeling in de bestuursrechtelijke rechtspraak. De vraag rijst of daarmee niet geleidelijk afstand wordt genomen van het oorspronkelijke doel van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.
De Autoriteit Persoonsgegevens concludeert dat de Belastingdienst ondanks zichtbare verbeteringen nog steeds onvoldoende “in control” is op de eigen privacyorganisatie. De kernproblemen — onduidelijke verantwoordelijkheden, gebrekkige centrale regie en complexe governance-structuren — blijken grotendeels ongewijzigd ten opzichte van 2024. De AP kwalificeert de tekortkomingen inmiddels als structureel en verlangt herstel uiterlijk per 1 juni 2027. In de noot wordt ingegaan op de bestuurlijke en rechtsstatelijke betekenis van deze kritiek en de vraag of de aangekondigde maatregelen voldoende zullen zijn.
Wanneer verliest de inspecteur het recht om na te vorderen? In deze uitspraak maakt de rechtbank een scherp onderscheid per belastingjaar. Voor 2017 leidt stilzitten van ruim 21 maanden tot een fataal ambtelijk verzuim, waardoor navordering strandt. Voor 2018 blijft navordering wél in stand, maar sneuvelt de vergrijpboete wegens het ontbreken van grove schuld. Een leerzame casus over voortvarendheid, dossieropbouw en bewijspositie.
De Hoge Raad verduidelijkt wanneer een bestuursorgaan in beroep alsnog kan stellen dat een bezwaar te laat is ingediend. Hoewel het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als uitgangspunt bescherming bieden, geldt een belangrijke uitzondering bij onjuiste of onvolledige informatie van de belastingplichtige. Het arrest brengt nuance in de verhouding tussen formeel procesrecht en materiële rechtsbescherming. Voor de praktijk betekent dit dat ontvankelijkheid niet altijd definitief vaststaat na de bezwaarfase.
Wanneer is een naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig opgelegd? In deze zaak oordeelt het hof dat een aanslag tijdig is opgelegd wanneer zowel de dagtekening van het aanslagbiljet als de terpostbezorging binnen de wettelijke vijfjaarstermijn van art. 11 lid 4 AWR vallen. Met een verzendrapport maakt de inspecteur aannemelijk dat het aanslagbiljet vóór het verstrijken van de termijn aan het postvervoerbedrijf is aangeboden. Dat de belastingplichtige de aanslag pas later ontvangt, doet daar niet aan af. De uitspraak illustreert tegelijkertijd de toenemende problemen rondom de betrouwbaarheid van postbezorging in fiscale procedures.