Bijdrage van Niels Kolste in het door Vierhoff Advocaten uitgegeven liber amicorum vanwege het 40-jarig jubileum van Hans Peek als advocaat.
In de fiscale procespraktijk kan het allesbepalend zijn: wanneer is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend? Art. 6:9 Awb formuleert als hoofdregel de ontvangsttheorie: een geschrift is tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn door het bevoegde orgaan is ontvangen.
Deze hoofdregel biedt duidelijkheid en rechtszekerheid, doordat het moment van ontvangst objectief kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van een datumstempel.
Tegelijkertijd impliceert deze benadering dat het risico van verzending in beginsel bij de indiener ligt. Juist vanwege de onzekerheden die inherent zijn aan postbezorging, heeft de wetgever in art. 6:9 lid 2 Awb een nuancering opgenomen. Bij verzending per post geldt een geschrift als tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk een week na afloop van de termijn wordt ontvangen.
Deze zogenoemde verzendtheorie is echter geen volwaardige tegenhanger van de ontvangst theorie, maar een beperkte uitzondering daarop. De indiener blijft gehouden aannemelijk te maken dat tijdig ter post is bezorgd, waarbij in de praktijk het poststempel vaak een centrale
rol speelt.
De regeling beoogt daarmee met name vertragingen in de postbezorging niet voor rekening van de indiener te laten komen. De rechtspraak laat zien dat deze bewijspositie strikt wordt gehanteerd. Twijfels over de verzending komen in beginsel voor rekening van de indiener, zeker wanneer objectieve gegevens ontbreken (Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8887).
Indien een bezwaar- of beroepschrift bij een onbevoegd orgaan wordt ingediend, dan rust op grond van art. 6:15 Awb op dat orgaan de verplichting het geschrift door te zenden naar het bevoegde orgaan. Van belang is dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan daarbij in beginsel beslissend blijft voor de beoordeling van de tijdigheid. Deze regeling voorkomt dat fouten in de adressering zonder meer leiden tot niet-ontvankelijkheid.
In de praktijk van Hans Peek bestaat echter ook een soort van eigen ontvangsttheorie; soms is het juist prettig dat een bestuursorgaan (of officier van justitie) alvast informeel kennis kan nemen van een bericht met het voorlopig standpunt van de advocaat. Vaak gebeurt dit door in plaats van de ‘doorsturen’-knop richting een kantoorgenoot de ‘reply-all’-knop te bedienen.
Vervolgens volgt in de mail in niet mis te verstane woorden een oordeel over het standpunt van de inspecteur/officier. Deze mail wordt vervolgens opgevolgd door een mail met excuses. Vaak heeft het voorlopig oordeel van Hans echter wel als gevolg dat zijn input zeer serieus wordt genomen en de zaak vlot wordt getrokken!


