Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/1013 over die bespreekt wanneer een ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen als ‘onredelijk laat’ moet worden aangemerkt en in hoeverre de rechtspraak de aanspraak op een dwangsom steeds verder beperkt tot een loutere prikkel tot besluitvorming.
Samenvatting
Belanghebbende maakt bezwaar tegen een WOZ-beschikking. Het bezwaarschrift is op 11 maart 2024 ingediend, waarna de heffingsambtenaar uiterlijk op 31 december 2024 had moeten beslissen. Nadat belanghebbende op 19 september 2025 een ingebrekestelling heeft gestuurd, dient hij op 6 februari 2026 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing. De heffingsambtenaar heeft hierop geen verweer gevoerd en geen stukken ingediend.
In geschil is of het beroep ontvankelijk en gegrond is, en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, omdat het niet onredelijk laat is ingediend. Het is namelijk ingediend binnen een jaar nadat de heffingsambtenaar in gebreke was een besluit te nemen. Nu niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep gegrond. De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken alsnog te beslissen en bepaalt dat een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden. Belanghebbende heeft echter geen recht op een dwangsom over de periode van vóór deze uitspraak. De ingebrekestelling is namelijk onredelijk laat ingediend, omdat belanghebbende pas zes maanden na het laatste contact met de heffingsambtenaar en ruim negen maanden na het verstrijken van de beslistermijn de heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld.
(Beroep gegrond.)
Noot
Op grond van art. 4:17 lid 5 onderdeel a Awb is geen dwangsom verschuldigd indien een ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Bij de beoordeling of sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling is sprake van een gebonden bevoegdheid.
Voor de toets of een ingebrekestelling onredelijk laat is, is niet het enkele tijdsverloop doorslaggevend, maar vooral de vraag of en op welke wijze partijen in de tussenliggende periode contact hebben onderhouden. De Hoge Raad heeft bevestigd dat daarbij alle omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn, waaronder lopend overleg tussen belastingplichtige en inspecteur (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3293, NTFR 2016/203). Ten aanzien van de verdere invulling laat de rechtspraak verder een sterk casuïstisch beeld zien.
De wettelijke dwangsomregeling is ingevoerd om bestuursorganen tot tijdige besluitvorming te prikkelen. In recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt ook benadrukt dat een dwangsom uitsluitend een prikkel is en geen vorm van schadevergoeding. In de toeslagenjurisprudentie heeft de Raad van State zelfs zeer recent geoordeeld dat een dwangsom op nihil kan worden gesteld wanneer deze haar prikkelwerking heeft verloren (ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192).
In deze zaak verstreken weliswaar tussen het laatste contact over het hoorgesprek en de ingebrekestelling ongeveer zes maanden, maar daar staat tegenover dat de bezwaarprocedure op dat moment reeds meer dan een jaar liep en dat de heffingsambtenaar ook na de ingebrekestelling gedurende maanden geen beslissing nam. Bovendien blijkt uit de uitspraak dat geen verweerschrift is ingediend en evenmin stukken zijn overgelegd. Het dossier wekt daarmee niet direct de indruk van een heffingsambtenaar die zich bijzonder voortvarend van zijn wettelijke verplichtingen heeft gekweten.
Juist daarom had ook een ander oordeel zeer verdedigbaar geleken. Gelet op het totale tijdsverloop van de bezwaarprocedure en de in het geheel van de procedure bezien beperkte duur tussen het laatste contactmoment en de ingebrekestelling en de passieve opstelling van de heffingsambtenaar, valt goed te verdedigen dat de ingebrekestelling niet onredelijk laat was en dat daarom wel een dwangsom verschuldigd zou zijn geweest.
Echter, gezien de door de Raad van State ingezette lijn waarbij een dwangsom slechts als een prikkel wordt gezien, vrees ik dat we ook in het belastingrecht de komende tijd in dit soort gevallen eerder minder dan meer toegewezen dwangsommen zullen gaan zien. Ik vraag mij af of daarmee niet geleidelijk afstand wordt genomen van de oorspronkelijke gedachte achter de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.


