Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/701 over een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:764) waarin het draait om het leerstuk van navordering.
Samenvatting
Belanghebbende drijft een eenmanszaak gericht op advisering en bemiddeling bij hypotheken en verzekeringen. De inspecteur legt navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboetes 2017 en 2018 op, na correcties op de winst uit onderneming en het constateren van administratieve gebreken (waaronder het ontbreken van facturen en een onvolledige administratie). De administratie is in eerste instantie gevoerd door een oud-adviseur, waarna belanghebbende een nieuwe adviseur heeft ingeschakeld die de administratie opnieuw opzet. Het boekenonderzoek loopt vertraging op door organisatorische problemen, ziekte en Covid-19. In geschil is of de inspecteur voor de betreffende jaren terecht navorderingsaanslagen en vergrijpboetes heeft opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat voor het jaar 2017 sprake is van een ambtelijk verzuim. Na ontvangst van de (gedeeltelijke) administratie heeft de inspecteur ruim 21 maanden geen relevante controlehandelingen verricht, waardoor niet voortvarend is gehandeld. Dit vormt een ambtelijk verzuim dat navordering op grond van een nieuw feit uitsluit. Voor 2018 is geen sprake van ambtelijk verzuim, omdat belanghebbende en zijn adviseur de benodigde administratie pas laat aanleveren, waardoor de inspecteur niet tijdig over de relevante informatie kon beschikken. Met betrekking tot de vergrijpboete 2018 stelt de rechtbank dat de inspecteur overtuigend moet aantonen dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Belanghebbende heeft zich laten bijstaan door een adviseur die hij als deskundig mocht beschouwen en mocht vertrouwen op een correcte aangifte. De inspecteur toont niet overtuigend aan dat belanghebbende zelf de administratie heeft gevoerd of relevante gegevens heeft achtergehouden. Daarom is niet voldaan aan de bewijslast voor grove schuld en vervalt de boete.
(Beroep gegrond.)
Noot
Deze uitspraak is vooral interessant omdat de rechtbank het leerstuk van navordering scherp per belastingjaar uiteenzet. Uitgangspunt is dat voor navordering op grond van art. 16 AWR een nieuw feit is vereist, tenzij sprake is van kwade trouw. Een ambtelijk verzuim van de inspecteur staat daarentegen aan navordering op basis van een nieuw feit in de weg. Voor de invulling van het ambtelijk verzuim sluit de rechtbank aan bij HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638, NTFR 2022/1734, waaruit volgt dat beslissend is over welke informatie de inspecteur bij een behoorlijke en voortvarende taakuitoefening had kunnen beschikken.
Voor 2017 oordeelt de rechtbank dat de inspecteur na ontvangst van de gedeeltelijke administratie begin januari 2019 gedurende ruim 21 maanden geen relevante controlehandelingen heeft verricht. Dat acht de rechtbank te lang om nog te kunnen spreken van een behoorlijke taakuitoefening. Interne organisatorische problemen en latere externe omstandigheden zoals Covid-19 kunnen belanghebbende niet worden tegengeworpen. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aan de inspecteur toe te rekenen ambtelijk verzuim, zodat navordering op basis van een nieuw feit niet mogelijk is. Voor de praktijk is relevant te beseffen dat het starten van een boekenonderzoek voor de inspecteur geen vrijblijvend karakter heeft. Als de inspecteur relevante informatie ontvangt en vervolgens langdurig nalaat deze te beoordelen, verliest hij het recht op correctie via navordering.
Voor 2018 wordt wel een nieuw feit aanwezig geacht. De vertraging wordt daar in belangrijke mate toegeschreven aan belanghebbende en diens adviseur, die de herstelde administratie pas in april 2022 aanleverden, terwijl de aanslagtermijn eind april 2022 afliep. Dat oordeel is naar mijn mening juist. Niet kan worden gezegd dat de inspecteur bij een behoorlijke taakuitoefening eerder over de relevante informatie had kunnen beschikken. De rechtbank onderkent bovendien terecht dat een periode van ongeveer drie weken onvoldoende is om omvangrijke stukken nog te controleren en in een juiste aanslag te verwerken.
Uit de uitspraak blijkt maar weer eens dat de beoordeling of de inspecteur mag navorderen zeer feitelijk van aard is. Niet alleen het tijdsverloop is relevant, maar ook de inhoud van het dossier bepaalt of mogelijk sprake is van een ambtelijk verzuim. In dat licht is het van belang dat het volledige dossier wordt overgelegd. Enerzijds kan de inspecteur daarmee aantonen dat geen sprake was van stilzitten maar dat wel degelijk controlehandelingen hebben plaatsgevonden, anderzijds biedt dit belanghebbende de mogelijkheid te controleren of de inspecteur niet te lang heeft stilgezeten.


