Prins Bernhardplein 200 (Unit 0.02A)

•

1097 JB Amsterdam

•

Telefoon 085-0209327

Mr. N. Kolste Legal & Tax

Noot: Structurele postproblemen leiden toch tot geldige boete voor aangifteverzuim

Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/1595 over een uitspraak van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2026:1853) ver een verzuimboete bij niet-ontvangst van de aanmaning en de vraag voor wiens risico gebrekkige postbezorging komt.

Samenvatting

Belanghebbende woont in Duitsland en ontvangt over 2016 een ambtshalve aanslag IB met een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur heeft de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte naar het juiste adres van belanghebbende gestuurd, hetgeen blijkt uit verzendrapportages. Belanghebbende stelt dat hij deze poststukken niet heeft ontvangen, wat volgens hem te wijten is aan structurele problemen met de postbezorging op zijn adres. Hij heeft hiervan aangifte gedaan bij de Duitse politie en wijst op eerdere bezorgproblemen, ook met aangetekende post. In geschil is of de rechtbank de boetebeschikking terecht heeft vernietigd. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het hof stelt vast dat de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat de aanmaning correct is verzonden naar het adres van belanghebbende, waarmee het vermoeden ontstaat dat deze is ontvangen of aangeboden. Hoewel het hof de verklaringen van belanghebbende over het niet ontvangen van poststukken geloofwaardig acht, rekent het hem aan dat hij, ondanks bekendheid met structurele postproblemen, geen maatregelen heeft genomen om zijn bereikbaarheid te waarborgen, zoals het nemen van een postbus. Het niet ontvangen van de aanmaning komt daarom voor zijn rekening en risico. Het beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) slaagt niet, omdat belanghebbende niet alle zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen. Het hof ziet geen aanleiding de boete te matigen of te vernietigen op grond van het evenredigheidsbeginsel, nu de boete het minimum betreft en de ernst van de gedraging voldoende rechtvaardigt. Het hoger beroep van de inspecteur is daarom gegrond.

(Hoger beroep gegrond.)

Noot

In deze uitspraak acht het hof op basis van de verzendrapportage buiten redelijke twijfel verheven dat de aanmaning door de inspecteur aan PostNL is aangeboden voor verzending naar het juiste adres. Daaruit mag in beginsel het vermoeden worden afgeleid dat de aanmaning daar ook is ontvangen. 

Vervolgens acht het hof de consistente verklaring van belanghebbende dat hij de aanmaning niet heeft ontvangen geloofwaardig, mede vanwege de door hem geschetste structurele problemen met de postbezorging, maar dat leidt echter niet tot vernietiging van de boete, omdat belanghebbende volgens het hof maatregelen had moeten treffen om bereikbaar te blijven, bijvoorbeeld door een postbus te nemen. De niet-ontvangst wordt daarom aan hem toegerekend.

Deze benadering van het hof past binnen de bestaande rechtspraak. Voor een boete op grond van art. 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en hem evenmin anderszins heeft bereikt, tenzij dit het gevolg is van aan hem toe te rekenen omstandigheden. 

Ook het oordeel over van het hof over avas is op zichzelf begrijpelijk: wie weet dat post hem structureel niet bereikt en desondanks geen maatregelen treft, zal moeilijk kunnen volhouden alle redelijkerwijs te verlangen zorg te hebben betracht. 

Dat dezelfde omstandigheid bij beide beoordelingen een rol speelt maakt naar mijn smaak echter een scherp onderscheid tussen beide stappen wel wenselijk. Bij de eerste vraag gaat het om de voorwaarden waaronder het beboetbare feit kan worden vastgesteld en rust de bewijslast, met de bij een boete behorende strenge bewijsmaatstaf, op de inspecteur. Bij avas gaat het daarentegen om de verwijtbaarheid (of beter gezegd het gebrek daaraan): heeft belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verlangen zorg betracht om het verzuim te voorkomen? 

In deze zaak blijft dat onderscheid wellicht wat onderbelicht, dit doordat het ontbreken van een postbus met een zeer korte motivering zowel de toerekening van de niet-ontvangst als de verwerping van avas draagt.

De zaak roept bij mij daarnaast een meer praktische vraag op. De aanmaning is een noodzakelijke voorwaarde voor beboeting en biedt de belastingplichtige een laatste termijn om alsnog aangifte te doen en is daarmee een belangrijk stuk in het gehele proces. Nu de reguliere postbezorging minder betrouwbaar wordt vraag ik mij af of het nog wel redelijk is om onverkort vast te houden aan de verzendtheorie. 

Aangezien de postbezorging structureel te wensen overlaat zou naar mijn mening ook mogen worden gekeken naar hetgeen redelijkerwijs van de Belastingdienst kan worden verlangd om zich ervan te verzekeren dat aanmaningen belastingplichtigen (tijdig) bereiken. Te denken valt aan een andere wijze van verzending en wellicht een ruimere aanmaningstermijn.