Prins Bernhardplein 200 (Unit 0.02A)

1097 JB Amsterdam

Telefoon 085-0209327

Mr. N. Kolste Legal & Tax

Noot: Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Noot Niels Kolste in NTFR 2025/809

Samenvatting

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd. Belanghebbende heeft via een zogenoemde DigiD-aanmelding bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft op 14 juni 2022 uitspraak op bezwaar gedaan en heeft deze naar het door belanghebbende in het bezwaarschrift opgegeven e-mailadres gestuurd. Vervolgens heeft de gemachtigde van belanghebbende via digitale weg een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend namens belanghebbende. Bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2022 heeft de heffingsambtenaar het door de gemachtigde gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen. 

In hoger beroep is in eerste instantie in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof oordeelt als volgt. Belanghebbende heeft de keuze gemaakt het bezwaarschrift via een zogenoemde DigiD-aanmelding in te zenden, terwijl ook de mogelijkheid bestond het bezwaarschrift per post in te dienen. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende naast zijn adresgegevens ook zijn e-mailadres opgenomen en daarbij niet vermeld dat hij voor verdere correspondentie niet via de digitale weg bereikbaar is. Verder heeft belanghebbende niet gereageerd op de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift, waarvan ter zitting is komen vast te staan dat de ontvangst daarvan niet wordt betwist. Het had voor de hand gelegen dat belanghebbende had gereageerd op de ontvangstbevestiging als hij bezwaren had tegen gebruikmaking van het e-mailadres gedurende het verdere verloop van de bezwaarfase. Deze omstandigheden in samenhang bezien maken dat de heffingsambtenaar uit de gedragingen van belanghebbende dan wel het nalaten daarvan heeft kunnen afleiden dat belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is als bedoeld in art. 2:14 lid 1 Awb. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar van 14 juni 2022 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 

Het op 21 november 2022 door de gemachtigde tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaarschrift had, nu met het doen van uitspraak op bezwaar op 14 juni 2022 de bezwaarfase tot een einde is gekomen, door de heffingsambtenaar doorgezonden moeten worden aan de rechtbank ter behandeling als beroep tegen de uitspraak op bezwaar. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 26 juli 2022. Het aanvullende bezwaarschrift (dat dus als beroepschrift had moeten worden doorgezonden) is door de heffingsambtenaar op 21 november 2022 ontvangen, zodat het beroep niet tijdig is ingediend. Het hof oordeelt dat de te late indiening daarvan niet verschoonbaar is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep wordt dan niet toegekomen.

(Hoger beroep ongegrond.)

Noot

Het meest springende punt in deze uitspraak is de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar. Bij deze uitspraak is het goed om te beseffen dat het hier gaat om een naheffingsaanslag parkeerbelasting en dus een lokale belastingzaak betreft. Hierbij hoeft, in tegenstelling tot bij rijksbelastingzaken (vgl. HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:758NTFR 2018/1300, met noot van Weijers), een uitspraak op bezwaar niet per se bekend te worden gemaakt via verzending per post.

Voor lokale heffingen wordt de beslissing op bezwaar bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan belanghebbende. Op grond van art. 2:14 Awb mogen besluiten elektronisch worden bekendgemaakt indien de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is. Het hof komt, mede omdat belanghebbende zelf elektronisch bezwaar heeft aangetekend, tot het oordeel dat dit hier het geval is. Op zich kan ik mij vinden in deze (tussen)conclusie. 

Punt van aandacht daarbij zou wat mij betreft nog wel art. 2:14 lid 3 Awb zijn, waarin is bepaald dat indien een orgaan een bericht elektronisch verzendt, dit moet gebeuren op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Gezien de vermeende onveiligheid en onbetrouwbaarheid van e-mail kan men zich afvragen of een enkele verzending per e-mail voldoet aan de vereisten van art. 2:14 lid 3 Awb. Daarbij komt nog dat tegenwoordig veel gemeenten een elektronische berichtenbox ter beschikking hebben voor dit soort berichtenverkeer. De vraag of verzending per e-mail voldoet aan art. 2:14 lid 3 Awb is in deze procedure echter niet aan de orde.