Noot van Niels Kolste in het NTFR 2026/450 over de uitspraak van gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 17 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3621, waarin het draait om de vraag of een naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig is opgelegd.
Samenvatting
Belanghebbende houdt zich bezig met het verzorgen, trainen en verhandelen van paarden. In 2016 verkoopt belanghebbende twee paarden en past daarbij het nultarief toe. De inspecteur legt een naheffingsaanslag OB op omdat hij van mening is dat het nultarief ten onrechte is toegepast. Belanghebbende ontvangt de aanslag op 5 januari 2022 en stelt dat deze buiten de naheffingstermijn is opgelegd.
In geschil is of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke naheffingstermijn van vijf jaar is opgelegd. Hof Den Bosch oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de inspecteur met het overgelegde verzendrapport aannemelijk maakt dat de naheffingsaanslag op 23 en 24 december 2021 aan het postvervoerbedrijf is aangeboden. Daarmee is de aanslag op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Omdat ook de dagtekening van het aanslagbiljet (29 december 2021) binnen de vijfjaarstermijn valt, is de aanslag tijdig opgelegd. Het hoger beroep faalt daarmee.
(Hoger beroep ongegrond.)
Noot
Voor tijdige naheffing moet de dagtekening van het aanslagbiljet binnen de vijfjaarstermijn van art. 11 lid 4 AWR vallen. Hiernaast moet de bekendmaking op de voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden vóór het verstrijken van die termijn. Bekendmaking van een aanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van art. 3:41 lid 1 Awb plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Van (tijdige) toezending is in de regel sprake als de aanslag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, NTFR 2004/349).
De bewijslast van tijdige terpostbezorging rust op de inspecteur, waarbij moet worden aangetoond dat het aanslagbiljet daadwerkelijk vóór het verstrijken van de termijn ter post is bezorgd (HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, NTFR 2020/470). In deze zaak acht het hof dat bewijs geleverd met het verzendrapport. Dat de aanslag ontvangen is door belanghebbende na het verstrijken van de termijn, is voor tijdige naheffing niet relevant.
Hoewel op de uitspraak van het hof niets is aan te merken, is deze uitspraak wel illustratief voor het feit dat de postbezorging te wensen over laat. Dit wordt inmiddels breed gesignaleerd en speelt niet alleen ten aanzien van de tijdigheid van aanslagen. Deze notoire onbetrouwbaarheid en het feit dat er steeds minder dagen post wordt bezorgd, maken het naar mijn mening noodzakelijk om toch eens na te denken over een alternatief waarbij niet alleen gekeken dient te worden hoe het bestuursorgaan de burger elektronisch kan bereiken (bijvoorbeeld voor de bekendmaking van aanslagen) maar ook hoe de burger het bestuursorgaan kan bereiken (bijvoorbeeld voor het indienen van een bezwaar).
Voor de praktijk zou het fijn zijn als we dit soort discussies door de onbetrouwbaarheid van de postbezorging tot het verleden kunnen laten behoren en daarmee is ook de rechtszekerheid gediend.


