Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/1420 over de conclusie van A-G Pauwels (ECLI:NL:PHR:2026:716 ) over de vertegenwoordiging van een onder bewind gestelde in een fiscale procedure, de toezending van processtukken aan de bewindvoerder en de gevolgen van een onjuiste toezending voor de beroepstermijn.
Samenvatting
Het vermogen van belanghebbende is onder bewind gesteld van een bewindvoerder. Een door deze bewindvoerder ingeschakelde gemachtigde (de gemachtigde) heeft beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2024:19479) heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de gronden van het hoger beroep bij brief van 15 januari 2025 verzonden aan alleen belanghebbende zelf, niet (ook) aan de gemachtigde of de bewindvoerder. Op enig moment is de gemachtigde op de hoogte van het hoger beroep gekomen. De gemachtigde heeft vervolgens een verweerschrift ingediend waarbij hij tevens incidenteel hoger beroep instelt. Hof Den Haag (NTFR 2026/67) heeft het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens (onverschoonbare) termijnoverschrijding. Het heeft daarbij verworpen het betoog dat de brief van 15 januari 2025 (ook) had moeten worden verzonden naar de gemachtigde (op grond van art. 6:17 Awb) althans naar de bewindvoerder (gelet op art. 8:21 lid 1 Awb).
Deze conclusie van A-G Pauwels concentreert zich op de vraag of de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten worden gezonden gelet op art. 8:21 lid 1 Awb. Art. 8:21 lid 1 Awb bepaalt: ‘Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht’. In onderdeel 3 van de conclusie gaat de A-G in op beschermingsbewind in het civiele recht. Vervolgens komt in onderdeel 4 beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht aan bod, waarbij hij ingaat op zowel vertegenwoordiging ‘buiten rechte’ als vertegenwoordiging ‘in rechte’. De belangrijkste punten van zijn beschouwing zijn de volgende:
- Het hof gaat uit van de rechtsopvatting dat (i) aangezien bewind niet eraan afdoet dat een onder bewind gestelde persoon handelingsbekwaam is/blijft, (ii) een onder bewind gestelde niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21 lid 1 Awb. De A-G meent dat element (ii) van de opvatting onjuist is. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21 lid 1 Awb vallen. Ook rechtspraak en literatuur gaan daarvan uit.
- De A-G meent evenwel ook dat een persoon van wie het vermogen onder bewind is gesteld niet zonder meer (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21 lid 1 Awb valt, maar alleen indien het gaat om een geding dat een aangelegenheid betreft die onder de taak van de bewindvoerder valt. Of art. 8:21 lid 1 Awb in een concreet geval van toepassing is, is daarom afhankelijk van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder.
- Voor een geval als dit brengt deze geding-afhankelijke toepassing van art. 8:21 lid 1 Awb mee dat art. 8:21 lid 1 Awb van toepassing is. Aangezien handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de onder bewind gestelde tot de taak van de bewindvoerder behoren, kan immers het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag tot die taak behoren. Dat geldt ook voor het voeren van verweer in hoger beroep.
- Aangezien art. 8:21 lid 1 Awb van toepassing is, had het hof de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder moeten versturen. De bewindvoerder is immers de formele procespartij, indien art. 8:21 Awb van toepassing is. Zo nodig kan de verplichting mede worden gebaseerd op een van-overeenkomstige-toepassing van art. 6:17 Awb.
- Aangezien de brief van 15 januari 2025 ten onrechte niet is verstuurd naar de bewindvoerder, is de in art. 8:110 lid 2 Awb neergelegde zeswekentermijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet aangevangen met de verzending van die brief naar belanghebbende. Aangezien aangenomen kan worden dat (de gemachtigde van) de bewindvoerder de gronden van het beroep in elk geval niet eerder dan zes weken voorafgaand aan het instellen van het incidenteel hoger beroep onder ogen heeft gezien, is dat incidenteel hoger beroep tijdig ingesteld. Dat beroep is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen.
Noot
De conclusie van A-G Pauwels betreft in de kern de vertegenwoordiging van een persoon van wie goederen onder bewind zijn gesteld. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen vertegenwoordiging buiten rechte en vertegenwoordiging bij de belastingrechter. Buiten rechte geldt art. 43 AWR. Bij de belastingrechter is art. 8:21 Awb van toepassing. Het geschil betreft die laatste fase en draait uiteindelijk om de vraag of het hof de gronden van het hoger beroep aan de bewindvoerder had moeten sturen en, zo ja, wat het achterwege blijven daarvan betekent voor de termijn voor incidenteel hoger beroep.
Art. 43 AWR bepaalt dat de fiscale bevoegdheden en verplichtingen van iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld ook door de bewindvoerder kunnen worden uitgeoefend en nagekomen. De rechthebbende verliest daardoor niet zonder meer de bevoegdheid zelf in belastingzaken te handelen. Volgens de A-G kan hij daarom in beginsel ook zelfstandig bezwaar maken.
Bij de belastingrechter ligt dit anders. Art. 8:21 lid 1 Awb bepaalt dat natuurlijke personen die onbekwaam zijn om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. Het tweede lid maakt daarop een uitzondering: belanghebbenden kunnen ook zelf optreden indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
De eerste vraag is of art. 8:21 Awb ook ziet op beschermingsbewind. Bewind is een verzamelbegrip. Naast beschermingsbewind bestaan onder meer testamentair bewind en bewind in het kader van faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hier gaat het om beschermingsbewind volgens titel 19 van Boek 1 BW, meer in het bijzonder om bewind wegens verkwisting of problematische schulden.
Beschermingsbewind rust strikt genomen niet op de persoon, maar op een of meer van zijn goederen. Anders dan bij ondercuratelestelling blijft de rechthebbende daarom handelingsbekwaam. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt echter toe aan de bewindvoerder. Bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigt deze de rechthebbende op grond van art. 1:441 lid 1 BW in en buiten rechte.
Het hof leidde uit deze blijvende handelingsbekwaamheid af dat belanghebbende niet onbekwaam was om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21 Awb. Echter, onbekwaamheid in de zin van art. 8:21 Awb valt niet volledig samen met handelingsonbekwaamheid volgens het burgerlijke recht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 8:21 Awb ook betrekking kan hebben op personen van wie goederen onder bewind zijn gesteld. Dat volgt niet rechtstreeks uit de toelichting op het eerste lid, maar a contrario uit de toelichting op het tweede lid. Daarin worden onder bewind gestelden uitdrukkelijk genoemd als degenen die, in afwijking van de hoofdregel, onder voorwaarden zelf in het geding kunnen optreden.
Dat art. 8:21 Awb ook bij beschermingsbewind toepassing kan vinden, werd al eerder in de bestuursrechtelijke rechtspraak aangenomen (CRvB 27 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1741 en CBB 9 augustus 2022, ECLI:NL:CBB:2022:511). In beide zaken kon de rechthebbende niet zelfstandig procederen, omdat de bewindvoerder hem niet vertegenwoordigde en niet bleek dat hij tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kon worden geacht.
Een schaars fiscaal voorbeeld van de toepassing van art. 8:21 Awb is Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1949. Daar was het beroep door de rechthebbende zelf ingesteld, terwijl zijn goederen onder bewind stonden. Omdat de bewindvoerder de procedure niet overnam, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank paste daarbij art. 8:21 Awb toe, maar ging niet uitvoerig in op de precieze reikwijdte daarvan. De A-G doet dit wel in zijn conclusie.
De conclusie over beschermingsbewind in relatie tot 8:21 Awb
Volgens A-G Pauwels heeft art. 8:21 lid 1 Awb bij beschermingsbewind een geding-afhankelijke reikwijdte. De bepaling geldt niet voor ieder geschil waarbij de rechthebbende betrokken is. Beslissend is of het voeren van de procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij art. 1:441 BW. Tot de taak van de bewindvoerder behoren alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen, waaronder handelingen die de financiële situatie van de rechthebbende kunnen stabiliseren.
Bij een procedure over een belastingaanslag zal doorgaans aan die maatstaf zijn voldaan. Een aanslag raakt het vermogen en het stabiliseren daarvan. Dat geldt ook voor een relatief geringe naheffingsaanslag parkeerbelasting. Zoals de A-G treffend opmerkt, kunnen ook kleine bedragen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende. Hetzelfde geldt voor het voeren van verweer wanneer het bestuursorgaan hoger beroep instelt. Zeker bij een bewind over alle huidige en toekomstige goederen zal een fiscale procedure daarom in de regel binnen de taak van de bewindvoerder vallen.
Daaruit volgt dat de bewindvoerder in deze procedure de formele procespartij was. In eerste aanleg was hij ook als zodanig opgetreden en had hij een gemachtigde ingeschakeld. Dat het hoger beroep vervolgens door de heffingsambtenaar werd ingesteld, maakt dit niet anders. Zoals de A-G terecht overweegt, moeten de stukken niet alleen aan de bewindvoerder worden gestuurd wanneer deze zelf het rechtsmiddel heeft ingesteld, maar ook wanneer het bestuursorgaan hoger beroep instelt.
Het hof had de gronden van het hoger beroep daarom aan de bewindvoerder moeten verzenden. Indien de gemachtigdenrelatie uit eerste aanleg ook in hoger beroep doorliep, moesten de stukken op grond van art. 6:17 Awb in ieder geval aan de gemachtigde worden gezonden. De A-G laat die laatste vraag uiteindelijk rusten, omdat de klacht op grond van art. 8:21 Awb al slaagt.
Die uitkomst lijk mij juist; een hof dat weet dat een bewindvoerder in eerste aanleg als formele procespartij is opgetreden, kan in hoger beroep niet zonder nader onderzoek uitsluitend met de rechthebbende gaan corresponderen. Bij twijfel over het voortbestaan van het bewind kan het openbare Centraal Curatele- en Bewindregister worden geraadpleegd.
Aanvang termijn incidenteel hoger beroep
Vervolgens gaat de A-G in op de aanvang voor de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Art. 8:110 lid 2 Awb bepaalt dat dit beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hoger beroepsrechter de gronden aan de desbetreffende partij heeft verzonden. Met ‘partij’ moet volgens de A-G in dit geval de formele procespartij zijn bedoeld. Omdat de gronden niet aan de bewindvoerder waren verzonden, is de termijn niet aangevangen door de brief aan belanghebbende zelf.
De A-G past vervolgens hierop de rechtspraak toe over besluiten en rechterlijke uitspraken die niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt of verzonden. Hierdoor vangt de termijn aan op de dag waarop de bewindvoerder of diens gemachtigde de gronden feitelijk onder ogen heeft gekregen.
Voor zover mij bekend is deze specifieke termijnvraag niet eerder beantwoord. De door de A-G gekozen oplossing lijkt mij echter logisch en passend in de bestaande jurisprudentie, anders zou een partij haar mogelijkheid tot incidenteel hoger beroep kunnen verliezen door een foutieve toezending.
Zelfstandige afdoening
Tot slot stelt de A-G voor aan de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen. Verwijzing acht hij niet nodig, dit omdat uit het dossier voldoende kan worden afgeleid dat het incidentele hoger beroep tijdig is ingesteld en de daarin aangevoerde grieven zonder nader feitenonderzoek kunnen worden beoordeeld.
De grief tegen de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor 0,5 voor de proceskostenvergoeding slaagt volgens hem niet. Hoewel het hof die factor volledig had moeten toetsen, mag er bij de eigen waardering enige betekenis worden toegekend aan het ervaringsvoordeel van de rechtbank. Wel moet de Hoge Raad naar de mening van de A-G alsnog wettelijke rente toekennen over de in hoger beroep vastgestelde proceskostenvergoeding, omdat het hof op dat verzoek niet heeft beslist.
Wat ik aan de overwegingen van de A-G in dit verband met name verhelderend vind, is dat de A-G uitgebreid toelicht welke ruimte de Hoge Raad naar zijn mening heeft om zaken zelfstandig af te kunnen doen. In een tijd waarin de doorlooptijden van fiscale zaken toch behoorlijk lang zijn, lijkt het mij wenselijk dat de Hoge Raad deze ruimte ook zoveel mogelijk benut.


