HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92
De naam Verhoeven is in het fiscale procesrecht geen onbekende. Hij geniet bekendheid als gemachtigde in met name BPM-zaken en kwam de afgelopen jaren herhaaldelijk in de belangstelling vanwege zijn optreden in procedures, wat hem de bijnaam “de scheldende gemachtigde” opleverde. Voor enig proza bewijs ik graag naar het gelinkte quote artikel.
In het arrest van 23 januari 2026 staat echter niet zijn proceshouding centraal, maar een procesrechtelijk vraagstuk: hoe ver reikt de bevoegdheid van de rechter bij het vaststellen van een proceskostenvergoeding? Hieruit blijkt ook dat de Hoge Raad ondanks de eerder verwensingen van de gemachtigde zijn taak toch serieus neemt.
Waar draaide het om?
De zaak begint met een naheffingsaanslag BPM. De rechtbank gaf de inspecteur inhoudelijk gelijk, maar constateerde dat de behandeling van het beroep te lang had geduurd. Wegens overschrijding van de redelijke termijn kende de rechtbank een vergoeding van immateriële schade toe. In samenhang daarmee werden ook de proceskosten van belanghebbende vergoed.
De rechtbank berekende de proceskostenvergoeding volgens de gebruikelijke systematiek:
- twee proceshandelingen (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting);
- een wegingsfactor van 0,5;
- een waarde per punt van € 534.
Tot zover niets bijzonders. De gemachtigde van belanghebbende was echter niet tevreden over de hoogte van de vergoeding. Hij stelde hoger beroep in, uitsluitend gericht tegen de toegepaste waarde per punt, die volgens hem te laag was vastgesteld.
Het hof slaat door
Het gerechtshof gaf belanghebbende gelijk dat de waarde per punt onjuist was toegepast. Het hof ging echter een stap verder. Bij het opnieuw vaststellen van de proceskostenvergoeding besloot het hof ook:
- het aantal punten terug te brengen tot één;
- en de wegingsfactor te verlagen naar 0,25.
Het resultaat was opmerkelijk: ondanks de hogere waarde per punt viel de proceskostenvergoeding lager uit dan het bedrag dat de rechtbank had toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof. Indien een hoger beroep zich beperkt tot één specifiek onderdeel — in dit geval de waarde per punt — staat het het hof niet vrij om ambtshalve andere elementen van de proceskostenvergoeding aan te passen.
Noch de inspecteur, noch de Staat had immers geklaagd over het aantal punten of de wegingsfactor. Door deze alsnog te verlagen, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
De Hoge Raad bevestigt hiermee dat rechters in hoger beroep gebonden zijn aan wat partijen ter discussie stellen. Dat uitgangspunt geldt ook bij de vaststelling van proceskostenvergoedingen. Ambtshalve correcties die leiden tot een verslechtering van de positie van de appellant zijn niet toegestaan.
De Hoge Raad merkt daarbij expliciet op dat recentere, strengere rechtspraak over proceskostenvergoedingen bij redelijke-termijnzaken hier niets aan afdoet.
Afdoening door de Hoge Raad
De Hoge Raad voorziet zelf in de zaak en stelt de proceskostenvergoeding vast op:
- € 934 voor de beroepsfase;
- € 1.868 voor de hogerberoepsfase.
Deze bedragen zijn gebaseerd op het oorspronkelijke aantal proceshandelingen en de daarbij behorende wegingsfactor, maar met toepassing van de juiste — hogere — waarde per punt.
Over de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure wordt nog geen beslissing genomen, in verband met recente ontwikkelingen in de waardering van proceskosten in BPM- en WOZ-zaken.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Dit arrest bevestigt dat bij de vaststelling van proceskostenvergoedingen geen ruimte bestaat voor correcties buiten de aangevoerde grieven. Ook in proceskostenkwesties geldt dat de rechter de grenzen van de rechtsstrijd moet respecteren.


