Prins Bernhardplein 200 (Unit 0.02A)

1097 JB Amsterdam

Telefoon 085-0209327

Mr. N. Kolste Legal & Tax

Noot: Beroep namens ontbonden BV niet-ontvankelijk wegens ontbreken bevoegde partij

Noot van Niels Kolste bij ECLI:NL:RBZWB:2025:5350 in NTFR 2025/1484

Samenvatting

Belanghebbende, een bv, heeft bezwaar gemaakt tegen aan haar opgelegde aanslagen toeristenbelasting. De bezwaren zijn op 25 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Op 10 januari 2024 is in het Handelsregister geregistreerd dat belanghebbende met ingang van 1 november 2023 is opgehouden te bestaan. Gemachtigde stelt op 14 februari 2024 beroep in. 

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Belanghebbende is door haar ontbinding opgehouden te bestaan en de vereffening is nimmer heropend. Omdat belanghebbende was ontbonden, kon zij op 14 februari 2024 niet zelf beroep instellen. Ter zitting blijkt dat de machtiging namens de bewaarder van boeken en bescheiden is ondertekend: de bestuurders van de laatste indirect-aandeelhouder. De vraag is dan of zij beroep konden instellen. De rechtbank oordeelt dat beroep kan worden ingesteld door of namens de voormalige vereffenaar of door degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken, omdat hij bij de ontbinding een uitkering uit het vermogen van belanghebbende heeft gekregen. De laatste aandeelhouder heeft echter niet een dergelijke uitkering ontvangen. Daarnaast zijn de aanslagen niet betaald waardoor het niet aannemelijk is dat vermindering of vernietiging van de aanslagen tot een fiscaal gunstiger resultaat voor deze aandeelhouder zal gaan leiden. In die hoedanigheid kan hij geen beroep instellen. De vereffenaar kan dat wel, maar gesteld noch gebleken is dat de machtiging is afgegeven mede namens de vereffenaar. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.

(Beroepen niet-ontvankelijk.)

Noot

De rechtbank verklaart in deze zaak het beroep van een ontbonden vennootschap niet-ontvankelijk. De vennootschap is tijdens de bezwaarprocedure ontbonden wegens het ontbreken van baten. Er heeft dus geen vereffening van het vermogen van de vennootschap plaatsgevonden en dan houdt de vennootschap op grond van art. 2:19 lid 4 BW onmiddellijk op te bestaan.

Daarmee bestond zij niet meer toen beroep werd ingesteld. Op grond van vaste, ook door de rechtbank aangehaalde, jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288NTFR 2003/1591 en HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080NTFR 2024/1434) kunnen in dat geval slechts de voormalige vereffenaar of een rechthebbende op een liquidatie-uitkering beroep instellen. In dit geval was de machtiging afgegeven door en het beroep dus ingesteld namens de (voormalig) aandeelhouder die geen liquidatie-uitkering heeft ontvangen. De lijn uit de arresten van de Hoge Raad volgend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelt nog ten overvloede dat het beroep, als dit was ingesteld door de vereffenaar, wel ontvankelijk was geweest. De rechtbank miskent hierbij echter dat sprake is van een ontbinding bij gebrek aan baten en dat er dus geen te vereffenen vermogen is. Er heeft dan geen vereffening plaatsgevonden en er zal dus ook geen vereffenaar zijn die een afdoende machtiging kan afgeven. Dit is anders indien voorafgaand aan de ontbinding al een machtiging was afgegeven (zie in dit verband ook mijn noot in NTFR 2020/2381). 

Een ander punt dat wat mij betreft knelt, is dat in dit geval – anders dan in de aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad – de aanslagen zijn opgelegd en het bezwaar is aangetekend en afgewikkeld voor de ontbinding. De aanslagen zijn dus rechtsgeldig bekendgemaakt en hetzelfde geldt voor de uitspraken op bezwaar. Daardoor geldt niet dat de (bezwaar- en beroeps)termijnen pas gaan lopen na heropening van de vereffening. Ik vraag mij af of in dit geval geen leemte in de rechtsbescherming ontstaat doordat de ontbonden rechtspersoon het recht op inhoudelijke behandeling in beroep wordt ontzegd.