Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/1267 over het schenden van de hoorplicht. De rechtbank wijst de zaak terug naar de inspecteur. Tevens wordt ingegaan waarom art. 6:22 Awb hier geen uitkomst biedt.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4190
Samenvatting
Belanghebbende ontvangt voor het jaar 2021 ambtshalve aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, nadat hij ondanks herhaalde uitstelverzoeken en aanmaningen geen aangifte heeft gedaan. Tegen de aanslagen, de verzuimboete en de belastingrentebeschikkingen maakt hij bezwaar en verzoekt daarbij expliciet om te worden gehoord. De inspecteur verklaart de bezwaren ongegrond en handhaaft de aanslagen, boete en rentebeschikkingen, na vergeefse pogingen tot telefonisch contact en een schriftelijke uitnodiging waarbij belanghebbende zelf contact moest opnemen voor een hoorgesprek. In geschil is of de inspecteur in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden en, zo ja, of de uitspraak op bezwaar in stand kan blijven of dat de zaak moet worden teruggewezen naar de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. Hoewel de inspecteur telefonisch en schriftelijk contact heeft gezocht, is het onvoldoende dat belanghebbende alleen werd uitgenodigd om zelf contact op te nemen voor een hoorgesprek. De inspecteur had belanghebbende op een door hem vastgesteld tijdstip en plaats moeten uitnodigen, zeker omdat belanghebbende uitdrukkelijk om een hoorzitting heeft verzocht. De rechtbank acht het niet mogelijk om deze schending te passeren op grond van art. 6:22 Awb, omdat de relevante feiten niet vaststaan en het geschil (deels) beleidsvrijheid van de inspecteur betreft. De beroepen zijn daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, met terugwijzing van de zaak naar de inspecteur voor een nieuwe beslissing na alsnog horen van belanghebbende.
(Beroep gegrond.)
Noot
De rechtbank bevestigt ten eerste in deze uitspraak nog eens dat de hoorplicht van art. 7:2 Awb meer is dan een formaliteit. Wanneer een belanghebbende uitdrukkelijk verzoekt om te worden gehoord, is het niet voldoende hem slechts uit te nodigen om zelf contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Het initiatief voor het houden van een hoorgesprek ligt wat de rechtbank betreft echt bij de inspecteur.
Interessanter is echter waarom de rechtbank de zaak terugwijst in plaats van het gebrek te passeren of zelf in de zaak te voorzien. Dat hangt samen met de aard van het geschil. Het gaat om ambtshalve vastgestelde aanslagen die zijn gebaseerd op een schatting, omdat geen aangifte is gedaan. Juist in bezwaar krijgt een belastingplichtige de gelegenheid alsnog gegevens aan te leveren waarmee de inspecteur de aanslag kan heroverwegen. De rechtbank overweegt daarom dat de relevante feiten nog niet vaststaan en dat bovendien sprake is van een geschil waarbij de inspecteur nog een inhoudelijke afweging moet maken. Onder die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat een hoorgesprek tot een andere uitkomst en/of nieuwe informatie had geleid, zodat toepassing van art. 6:22 Awb niet voor de hand ligt.
De uitspraak laat daarmee zien dat de vraag of een schending van de hoorplicht kan worden gepasseerd sterk afhankelijk blijft van de omstandigheden van het geval. Wanneer de feiten nog niet zijn uitgekristalliseerd en het bestuursorgaan nog ruimte heeft om zijn besluit te heroverwegen, zal een rechter minder snel aannemen dat de belanghebbende door het ontbreken van een hoorgesprek niet is benadeeld en het gebrek passeren dan wel zelf in de zaak voorzien.


