Het leek zo mooi: in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) verblijven en daarbij een beroep doen op het belastingverdrag met Nederland en op grond van het verdrag aangemerkt worden als inwoner van de VAE. Maar het Gerechtshof Den Haag (ECLI: NL:GHDHA:2023:1303) oordeelde anders.
De kern
Op grond van de Nederlandse nationale wetgeving (art. 4 AWR) kwalificeerde de belastingplichtige als inwoner van Nederland. Hij wilde aanspraak maken op het inwonerartikel van het belastingverdrag Nederland–VAE, door te verwijzen naar zijn verblijf in de VAE. Het hof keek echter strikt naar de verdragsbepaling: alleen staatsburgers van de VAE gelden als inwoner voor verdragsdoeleinden. Omdat hij die nationaliteit miste, viel hij buiten het verdrag. Nederland mocht dus gewoon heffen.
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof
In cassatie liet de Hoge Raad (ECLI: NL:HR:2025:1184) dit oordeel ongemotiveerd in stand (art. 81 RO).
Belang voor de praktijk
Dit arrest benadrukt dat het woonplaatsartikel in het verdrag met de VAE strikt moet worden uitgelegd. Verdragsbescherming blijft uitgesloten als de formele eisen – zoals nationaliteit – niet zijn vervuld. Er is dan dus géén sprake van verdragsbescherming en Nederland blijft op grond van de nationale wetgeving heffingsbevoegd. Het nationaliteitsvereiste geldt overigens alleen voor natuurlijke personen; rechtspersonen kunnen onder omstandigheden wel aanspraak maken op verdragsbescherming.

