Noot Niels Kolste in NTFR 2025/1097
Samenvatting
Belanghebbende is enig aandeelhouder en enig bestuurder van A bv. A bv exploiteerde diverse vakantieparken en baatte de horeca in die parken uit. A bv hield daarnaast aandelen in diverse vennootschappen. Twee dochtermaatschappijen handelden in caravans en één dochtermaatschappij verhuurde stacaravans aan arbeidsmigranten. In oktober 2016 is de inspecteur een boekenonderzoek bij A bv gestart. Tijdens dat onderzoek ontstond een vermoeden van strafbare feiten. De zaak is daarom aangemeld bij de FIOD en het OM. Op 18 oktober 2018 is besloten tot strafrechtelijke afhandeling van de zaak. In 2019 heeft de inspecteur verzocht om gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. De FIOD heeft stukken ter beschikking gesteld. In oktober 2020 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren 2015 t/m 2018. Bij het opleggen van de belastingaanslagen heeft de inspecteur verzwegen inkomsten van A bv aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang. In beroep heeft belanghebbende diverse, veelal formele, grieven aangevoerd tegen de belastingaanslagen.
De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding van de zaken af. Er is geen reden om de strafzaak af te wachten omdat de belastingrechter de zaken zelfstandig moet beoordelen en een ander beoordelings- en bewijskader heeft. Voorts komt de rechtbank het oproepen van getuigen niet zinvol voor. Belanghebbende heeft zelf geen pogingen ondernomen om te zorgen dat de getuigen ter zitting aanwezig waren. De jurisprudentie van het EHRM leidt niet tot een andere afweging. Met het horen van getuigen die een belastende verklaring hebben afgelegd, wordt het belang van belanghebbende verondersteld, maar dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats aan belanghebbende is om die getuigen op te roepen. De werkwijze van de Awb en de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven, schaadt het verdedigingsbelang van belanghebbende niet.
Vervolgens is de vraag of de navorderingsaanslag over 2014 tijdig is bekendgemaakt. De inspecteur verklaart dat hij de navorderingsaanslag heeft betekend aan het OM en dat deze ook aangetekend is verstuurd, maar dat bij de verzending naar België de ontvangst niet (altijd) kan worden geverifieerd. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag correct is bekendgemaakt. Hij heeft niet naar een concreet stuk verwezen waaruit afgeleid kan worden dat de aanslag op de juiste wijze naar belanghebbende is gezonden. De rechtbank houdt het ervoor dat de aanslag niet binnen de wettelijke termijn is bekendgemaakt. De aanslag IB /PVV 2015 acht de rechtbank wel tijdig bekend gemaakt nu belanghebbende reeds voor het einde van de navorderingstermijn bezwaar heeft gemaakt.
Voor de jaren 2015 t/m 2017 oordeelt de rechtbank dat belanghebbende te kwader trouw was waardoor de inspecteur een navorderingsgrond heeft. Belanghebbende heeft bewust het reserveringssysteem op zijn vakantieparken gemanipuleerd waardoor ‘rangers’ die langdurig op het park verbleven buiten de administratie werden gehouden. Met betrekking tot die omzet heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat die jaarlijks enkele honderdduizenden euro’s beliep en dat deze bedragen bij belanghebbende terecht kwamen. Het is voorts aannemelijk dat belanghebbende zich van deze vermogensverschuiving bewust is geweest. Daarnaast heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende inwoner is van Nederland. De conclusie is dat belanghebbende ten onrechte en te kwader trouw de vermogensverschuivingen niet in de aangifte heeft opgenomen. De vereiste aangifte is niet gedaan en de bewijslast wordt omgekeerd. De schattingen die de inspecteur heeft gemaakt zijn redelijk, aldus de rechtbank.
Met betrekking tot de boete oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel en/of het una-viabeginsel. Belanghebbende wordt strafrechtelijk vervolgd voor het feitelijk leidinggeven aan een organisatie die opzettelijk niet, onjuist of onvolledig inlichtingen heeft verstrekt en niet aan de administratieverplichtingen heeft voldaan. De fiscale vergrijpboete ziet op iets anders namelijk dat te weinig belasting is geheven wat te wijten is aan opzet van belanghebbende. De rechtbank acht overtuigend aangetoond dat een deel van de omzet van de bv bewust niet op de bankrekening van de bv werd gestort maar aan belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te goede is gekomen. Er is sprake van opzet. Met betrekking tot de verzwegen omzet van de ‘rangers’ acht de rechtbank listigheid als strafverzwarende omstandigheid aanwezig. Deze omzet is namelijk buiten de boeken gehouden door het reserveringssysteem te manipuleren. Voor de verzwegen contante omzet acht de rechtbank geen strafverzwarende omstandigheid aanwezig. Dat de boetegrondslag berust op een redelijke schatting is in dit geval geen reden om de boete te matigen. De gecorrigeerde omzet is tot stand gekomen door goed onderbouwde berekeningen en daardoor voldoende precies om als grondslag voor de boete te dienen. In bepaalde gevallen is de extrapolatie niet overtuigend aangetoond waardoor de boete zal worden verminderd. Voorts wordt de boete gematigd omdat belanghebbende meermaals in zijn vermogen wordt getroffen door meerdere boetes op te leggen ter zake van dezelfde omzetcorrecties.
(Beroepen gegrond.)
Noot
Bij het lezen van de uitspraak is waarschijnlijk voor de goede lezer de uitspraak wel te herleiden naar de naam van de belanghebbende. Men kan zich in dit soort gevallen dan ook afvragen of het anonimiseren van een uitspraak nog wel zin heeft. Verder valt op dat het materiële deel van de uitspraak zeer beperkt is; daarentegen voert de gemachtigde een groot aantal formele gronden aan.
Van deze gronden wil ik er een aantal behandelen. Ten eerste wordt de tijdige bekendmaking van de navorderingsaanslag 2014 betwist. Opvallend daarbij is dat de inspecteur zich blijkbaar heeft beroepen op de regeling van art. 8 Iw 1990. Deze regeling zie op het bekendmaken van een aanslag aan een niet meer bestaande rechtspersoon. De rechtbank oordeelt dan ook terecht dat deze regeling niet van toepassing is op de bekendmaking aan een natuurlijk persoon. De inspecteur is niet erin geslaagd om het bewijs te leveren dat de aanslag rond de dagtekening aan de vervoerder is aangeboden en daarmee dat de aanslag tijdig is bekendgemaakt. Overigens zou ik in dit verband wel benieuwd zijn geweest naar het oordeel indien de rechtbank de aanbieding aan de vervoerder wel aannemelijk had geacht. De inspecteur stelt namelijk zelf dat er problemen waren met (aangetekende) postbezorging naar België.
Een tweede opvallend punt is dat de gemachtigde een beroep doet op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat dit niet aan de orde is omdat er geen uitvoering wordt gegeven aan nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften. Evenmin houdt de toepassing van wetgeving een beperking in van de verdragsvrijheden. Dit oordeel van de rechtbank is in lijn met HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, NTFR 2018/2686. Wat ik mij echter wel afvraag is of er zo langzamerhand niet een erg groot onderscheid in uitkomst ontstaat tussen zaken waarbij belanghebbenden wel een geslaagd beroep kunnen doen op het verdedigingsbeginsel en in zaken waarin zij dat niet kunnen.
Met betrekking tot het oordeel over het al dan niet doen van de vereiste aangifte door belanghebbende en de bewustheid ten aanzien van de gestelde uitdelingen en de daaropvolgende redelijke schatting, laat dit oordeel van de rechtbank zien dat er gestructureerd door de rechtbank is getoetst. Enige punt van kritiek zou kunnen zijn dat de rechtbank niet expliciet toetst dat met de aangifte absoluut en relatief te weinig belasting is geheven in de zin van HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, NTFR 2009/2405.
Tot slot wil ik nog ingaan op het feit dat belanghebbende ten aanzien van de boete aanvoert dat het ne-bis-in-idembeginsel en/of het una-viabeginsel zou zijn geschonden, dit omdat belanghebbende ook wordt vervolgd voor het feitelijk leidinggeven aan een organisatie die opzettelijk niet, onjuist of onvolledig inlichtingen heeft verstrekt en niet aan de administratieverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank oordeelt hierover dat de boete ziet op aan ander feit namelijk het feit dat te weinig belasting is geheven, hetgeen te wijten is aan de opzet van belanghebbende. Op zich is dit een juist oordeel, maar ik begrijp hier het punt van belanghebbende wel. Als men helemaal doorredeneert dan komt uiteindelijk alles samen. In de praktijk ziet men vaker dat in dit soort zaken waarbij het gaat om meerdere middelen en jaren, een deel strafrechtelijk wordt afgedaan terwijl een ander deel administratief wordt afgedaan. Indien alle feiten ofwel strafrechtelijk ofwel administratiefrechtelijk zouden worden afgedaan, dan zou hier wellicht in de straftoemeting meer rekening worden gehouden met de overige feiten.

