Noot van Niels Kolste in NTFR 2026/1795 over een uitspraak van Rechtbank Gelderland van 12 augustus 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:6400) over al dan niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Samenvatting
Belanghebbende is houder van een motorrijtuig en voldoet in november 2020 en februari 2021 de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor twee tijdvakken. Op 9 juni 2021 dient belanghebbende bezwaar in tegen de op aangifte voldane MRB voor deze tijdvakken. De inspecteur verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege de corona-avondklok. De rechtbank stelt vast dat de bezwaartermijnen zijn verstreken vóór ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad over de toepassing van art. 6:11 Awb en overweegt dat voor verschoonbare termijnoverschrijding sprake moet zijn van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid, waarbij het bezwaar zo spoedig mogelijk na het wegvallen van die omstandigheid moet zijn ingediend. De rechtbank oordeelt dat de corona-avondklok geen beletsel vormde om tijdig bezwaar te maken, omdat belanghebbende de brief overdag had kunnen posten. Ook het ontbreken van een bezwaartermijn op de MRB-rekening is geen verschoonbare reden, omdat de aanvang van de termijn volgt uit de wet en voldoende kenbaar is voor de belastingplichtige. De rechtbank merkt verder op dat tegen een rekening MRB geen bezwaar openstaat, maar dat de termijn aanvangt na voldoening van de belasting. De niet-tijdige indiening komt voor rekening van belanghebbende.
(Beroep ongegrond.)
Noot
Deze uitspraak geeft maar weer eens aan dat de minder strikte benadering van de beoordeling van verschoonbaarheid bij termijnoverschrijding uit HR 5 april 2024 (NTFR 2024/694, met noot van Van de Merwe) niet iedere termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Op grond van dit arrest is beslissend wat redelijkerwijs van een belanghebbende kan worden verlangd; feitelijke onmogelijkheid is niet vereist. De afwijzing van het avondklokargument in deze uitspraak is niettemin wat mij betreft begrijpelijk. Overdag kon belanghebbende immers zijn bezwaar posten en uit de uitspraak blijken geen persoonlijke omstandigheden die dat verhinderden.
Meer moeite heb ik met de zeer summiere motivering over de ontbrekende rechtsmiddelenclausule. Tegen de MRB-rekening staat inderdaad geen bezwaar open; de termijn begint na de voldoening op aangifte (art. 22j onderdeel b AWR). Maar ook dan kan de ontbrekende rechtsmiddelenvoorlichting een termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Een dergelijk beroep op verschoonbaarheid faalt wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belastingplichtige wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken (Zie HR 5 december 2014, NTFR 2015/320, met noot van Okhuizen, r.o. 2.3.2) Bekendheid met de betaaldatum is naar mijn mening daarvoor onvoldoende. De rechtbank had wat mij betreft nader moeten onderzoeken welke kennis en informatie belanghebbende over de bezwaarmogelijkheid had. De uitspraak is daarmee wat mij betreft op dit punt onvoldoende gemotiveerd.


